Return to site

Corona-slachtoffer

Een angstaanjagende periode...

· Interview

 

Het zesde boek van de Nuenense schrijver Willem van Ravestijn (“Sergej, de geheime dossiers van Anna Velikovskaya”) zou op 13 maart jl. door zijn uitgever gelanceerd worden. Toen de heuglijke dag daar was voelde Willem zich niet lekker. 

‘Een griepje’, zei hij tegen zijn partner Wilma. Het bleek Covid-19 te zijn. Kort daarop lag hij op de IC van het Catharinaziekenhuis te Eindhoven. 

De aanloop 

Toen Willem op die 13e maart ’s avonds de trap opliep merkte hij dat hij kortademig was. Hij baalde en mompelde tegen zichzelf dat hij een oude man begon te worden. Nooit eerder had hij last van kortademigheid gehad, ondanks dat hij een lichte vorm van astma had. Maar misschien kwam het door de geurstokjes die Wilma gebrand had om wat kookluchtjes op te ruimen.  

De andere dag kregen ze bezoek van hun buurtjes. Willem had inmiddels een vervelend kuchje waarvoor hij zich verontschuldigde: ‘Het is geen Corona hoor’, zei hij. ‘Het komt door die verrekte geurstokjes’. Gedurende de rest van het weekend nam het kuchen toe. Wilma vertrouwde het niet meer en zei: ‘Willem, ik denk dat we Corona hebben, we moeten binnenblijven, we moeten voor de zekerheid in quarantaine.’ Willem bromde wat, geloofde nog niet dat hij Corona had, maar had verder geen bezwaar tegen een vrijwillige quarantaine. De maandag die volgde op het weekend werd hij echter steeds zieker en dinsdagochtend dacht hij dat hij dood zou gaan. Zwaarademend van benauwdheid vroeg hij Wilma of ze de dokter wilde bellen. Deze wassnel ter plekke, deed een Coronatest, adviseerde Willem het bed te houden enWilma om thuis te blijven. Aan het eind van de dag bevestigde de arts dat zeallebei Corona hadden.   

De dag daarop, woensdag, was het verkiezingsdag, voor het eerst van hun leven konden ze niet stemmen, beiden waren te ziek. Vrijdag de 19e was hun trouwdag, normaal gesproken gingen ze dan samen uiteten. Dit keer moesten ze overslaan. Ze worstelden zich door het weekend. Wilma probeert Willem, die volkomen uitgeteld op bed ligt, te verzorgen maar hij reageert nergens meer op. ’s Maandags belt de arts weer, die belooft dat hij woensdag weer komt maar waarschuwt Willem dat hij er rekening mee moet houden dat hij naar het ziekenhuis moet. Willem wil niet naar het ziekenhuis. ‘Dat wordt mijn dood’, zegt hij. Wilma maakt zich intussen grote zorgen. Zij heeft ook Corona maar ze ziet dat Willem er veel slechter aan toe is dan zij. 

Woensdag, vroeg in de middag belt de arts weer. Willem is om en meldt zich nu vrijwillig voor het ziekenhuis: ‘Ik kan niet meer’, zegt hij tegen de arts. Binnen een half uur is de arts, goed ingepakt in anti-Corona-outfit, aanwezig. Hij schrikt van de aanblik, doet snel een zuurstoftest en constateert dat Willems saturatie maar 75 is waar het 95 moet zijn. Hij belt meteen een ambulance die binnen 15 minuten arriveert. Willem wordt door de ambulance-medewerkers direct voorzien van zuurstof en daarna naar beneden begeleid, op een brancard gelegd en afgevoerd naar het Catharinaziekenhuis. De met Corona besmette Wilma mag niet mee, zij blijft eenzaam achter en door tranen verstikt vraagt zij zich af of ze haar Willem nog levend terug zal zien.   

Intubatie 

Willem wordt in het ziekenhuis eerst op de gewone Corona-afdeling gelegd. Hij krijgt zuurstof toegediend. In eerste instantie helpt dat, daarna wordt zijn conditie minder en brengen ze hem naar de IC. Hij knapt even op en wordt daarom weer teruggebracht naar de gewone Corona-afdeling. Intussen bereikt Wilma het bericht dat hun buurtjes allebei Corona hebben, gelukkig in mindere mate, wel ziek maar quarantaine volstaat.  

Donderdags wordt Wilma onwel, ze zit op een stoel aan tafel als ze bijkomt en zich realiseert dat ze “van de wereld” is geweest. Toevallig belt dan het ziekenhuis om haar bij te praten over Willem en allerlei vragen te stellen over zijn conditie. Zij vertelt wat haar daarvoor is overkomen en de verpleger zegt dat ze onmiddellijk de huisarts moet bellen. Dit keer voor haarzelf. Haar arts komt ook meteen en constateert dat haar bloeddruk te laag is, ze moet onmiddellijk stoppen met haar medicatie. 

Vrijdag is kleinzoon Tijmen jarig en Willem, dan nog bij zinnen, appt vanuit het ziekenhuis dat Wilma hem moet feliciteren, hij vraagt tevens om scheerspulletjes en dergelijke maar kort daarop gaat het plotseling slechter met Willem en hij wordt weer naar de IC-afdeling gebracht. Het laatste woord dat Willem dan appt is: ‘spannend’. 

‘s Nachts om 4 uur wordt Wilma wakker, ze heeft een bang voorgevoel en besluit om de IC te bellen. Er was haar gezegd dat ze altijd mocht bellen en dat doet ze nu dan ook. Haar voorgevoel was juist: Willem was kort daarvoor geïntubeerd en onder narcose gebracht. Wilma doet daarna geen oog meer dicht, bang als ze is dat ze Willem niet meer levend zal zien.   

Hallucinaties en angstdromen 

Willem is gedurende twaalf dagen onder narcose, hij ligt aan het zuurstof en wordt kunstmatig gevoed. Zijn herinneringen aan deze periode beperken zich tot hallucinaties en angstdromen. Terwijl Willem onder narcose is leeft Wilma tussen angst en vrees. Ze slaapt niet of nauwelijks en ze leeft ontzettend mee met Willem, een man met zoveel levenslust, die nog zoveel plannen had en een lange "to do list". Ze deelt haar angsten met Willems dochter – die in Den Haag woont – en die op 29 maart de IC mag bezoeken. De dochter schrikt enorm van de aanblik. Willem ligt, geïntubeerd, aan allerlei kabeltjes en slangen, hij heeft inmiddels een stoppelbaard en kijkt met nietsziende, half geloken, ogen. Ze maakt met haar mobiel een paar foto’s. Na haar bezoek brengt ze telefonisch verslag uit aan Wilma. Wilma begint zich inmiddels beter te voelen al is en blijft ze erg moe. Dat is enerzijds het gevolg van de Corona-besmetting en anderzijds het gevolg van de slapeloze nachten. Het zijn vooral de positieve berichten van de IC: ‘Willem doet het nu goed, de zuurstof wordt goed opgenomen’, die haar op de been houden. Wilma heeft ook nog een ander punt van zorg: haar rijbewijs moet verlengd worden. Door de Coronabesmetting was ze niet in staat om naar het gemeentehuis te gaan en de tijd dringt nu ten zeerste. Ze besluit de Gemeente te bellen, legt haar situatie uit en ontvangt alle begrip: er is een gaatje in de agenda, ze kan om 11.30u langskomen. Een week later ontvangt ze haar nieuwe rijbewijs. Gelukkig, nu kan ze blijven rijden en Willem blijven bezoeken.   

Het eerste bezoek 

Woensdag 31 maart kan Wilma voor het eerst, sinds hij door de ambulance is meegenomen, zelf Willem bezoeken. Ze wordt door een verpleegster opgehaald en voorzien van beschermende kleding en mondkapje, mag ze naar Willem. Ondanks dat ze de foto’s, die Willems dochter gemaakt heeft, gezien heeft schrikt ze. De apparatuur maakt allerlei geluiden en ze ziet dat Willem volstrekt afhankelijk is van de techniek. Ze gaat naast het bed zitten en praat tegen hem aan, streelt hem over zijn gezicht en door zijn haren. Hij voelt warm aan. De beademingsapparatuur piept. Plotseling begint hij te hoesten, het lijkt alsof hij stikt, hij kokhalst en in paniek rent ze de gang op: ‘Mijn man ademt niet meer’, roept ze. Een verpleegster stelt haar gerust en zegt dat ze Willem vierentwintig uur per dag in de gaten houden. Dat hoesten hoort erbij. Wilma vindt nu troost bij het personeel dat bijzonder aardig voor haar is. Ze vinden het fijn dat Wilma nu eindelijk op bezoek mag komen, maar ze waarschuwen ook: de situatie kan zomaar veranderen. Corona is een grillige ziekte.  

Ze waarschuwen haar ook dat ze goed voor zichzelf moet blijven zorgen want als Willem er goed uitkomt en straks naar huis mag, dan komt alle zorg op haar schouders terecht. Vol emotie van alle indrukken verlaat Wilma uitgeput het ziekenhuis. 

Op 2 april komt Willems dochter weer op bezoek. Er mag maar 1 persoon per dag op bezoek. Wilma is er ook omdat beide vrouwen na het bezoek een gesprek met de artsen hebben. Alhoewel Wilma Willem nu niet mag bezoeken heeft ze wel een goed gevoel omdat ze dicht bij hem is. 

De artsen vertellen hetzelfde verhaal als het personeel: het kan nog alle kanten opgaan. Wilma en dochter gaan naar Nuenen om thuis alles nog eens door te nemen. Op de dagen die volgen gaat Wilma iedere dag naar het ziekenhuis.  

Zondag 4 april. De artsen zijn nu zo tevreden dat ze aankondigen dat ze de slaapmedicatie gaan afbouwen. De verpleegkundigen vertellen haar dat het afbouwproces wel drie dagen kan duren.   

Tegenslag 

Vijf april, een flinke domper. Willem heeft die ochtend plotseling flinke koorts. De verpleegkundigen vermoeden dat er ergens een bacterie zit. Willem heeft verschillende infusen en ze vermoeden dat een infuus, dat in zijn hals zit, de oorzaak is. Het wordt een hectische middag: drie verpleegkundigen zijn al die tijd met Willem bezig.Terwijl ze bezig zijn ziet Wilma dat Willems armen, handen en gezicht gezwollen zijn. De verpleegkundigen vinden een alternatieve locatie voor het infuus zodat het infuus dat in de hals zit verwijderd kan worden. Het is een heel gedoe en Wilma assisteert door het hoofd van Willem steeds zijwaarts te houden. Als het nieuwe infuus geplaatst is, is Wilma bekaf en vraagt zich angstig af of alles nu wel goed zal gaan. Ze gaat – tussen hoop en vrees – naar huis. 

Zes april. Vriend Merijn wil Willem bezoeken. Hij arriveert juist op het moment dat ze Willem detuberen. Als dat gebeurd is mag hij bij Willem. Merijn praat tegen Willem, streelt zijn hand maar Willem reageert nergens op. Later zal Willem vertellen dat het verwijderen van de tube het enige moment is dat hij zich van zijn IC-opname herinnert. Toen de tube verwijderd werd moest hij erg kokhalzen en de verplegers moedigden hem aan om alles eruit te gooien. Meteen daarna was hij weer “van de wereld”. De hallucinaties en angstdromen blijven hem achtervolgen. Zo hallucineert hij dat hij bedreigd wordt, dat er iemand vlakbij zijn kamer wordt doodgeschoten en hij droomt dat Wilma hem verlaten heeft. Huilend betrekt hij een van de verpleegsters in zijn verdriet en deze is zo verstandig om Wilma te bellen zodat die Willem kan geruststellen. Terwijl de verpleegster haar mobieltje tegen Willems oor houdt praat Wilma de muizenissen uit Willems hoofd en hij valt kort daarna in een rustige slaap.   

Het ontwaken 

Als Willem bijkomt uit zijn narcose is er niemand bij hem. Hij probeert om rechtop te gaan zitten maar dat lukt niet. Hij probeert zijn hand uit te steken naar de rand van zijn bed, maar hij kan zijn hand niet bewegen. Hij is verlamd! Hij probeert nu zijn voeten te bewegen maar dat lukt ook niet. Hij wordt emotioneel, huilt, wordt opstandig. In zijn hoofd, want zijn lichaam wil niet. Hij heeft in eerste instantie geen benul waar hij is, roept om hulp maar krijgt nauwelijks geluid uit zijn gortdroge mond. Er komt een zuster die hem drinken geeft, door een rietje en dat gaat goed. Hij probeert te praten maar kraamt onzin uit. De zuster zet de beker met het rietje op een planchet dat ze naar Willem toedraait en verlaat de kamer. Willem probeert de beker op te pakken maar opnieuw slaagt hij er niet in om zijn arm op te tillen. Dan komt Wilma binnen. 

Zij helpt hem drinken en dankbaar zuigt hij aan het rietje. Nu kan hij een beetje praten, maar hij praat als een dronkenman. Wat ze ervan begrijpt is dat hij denkt dat hij al vier maanden in het ziekenhuis ligt. Hij is elk besef van tijd kwijt. Wilma corrigeert hem vriendelijk, zegt dat ze de andere dag jarig is en dat zijn ontwaken uit de narcose het allermooiste cadeau is dat ze ooit heeft mogen ontvangen. Als de bezoektijd voorbij is en Wilma weer naar huis is vraagt een zuster hoe het bezoek verlopen is. Willem zegt dat Wilma morgen jarig is, waarop de zuster vraagt: ‘Op welke datum is ze dan jarig?’. Hij noemt de datum en zit er twee weken naast.   

De andere dag is Willem nog steeds wat in de war maar heeft hij ook heldere momenten. Wilma had van een verpleger gehoord dat Willem haar verjaardags-datum niet meer wist en plaagt hem. Daarna vertelt Willem, zo op het oog bij zijn volle verstand, dat er een cyberaanval op het ziekenhuis is geweest, dat alle ramen en deuren hermetisch vergrendeld werden en dat de airco niet meer werkte en het daardoor bloedheet werd. ‘Ja’, zegt hij: ‘en het personeel ontkent het, ze willen er niet over praten’. Hij is erg emotioneel, huilt, hij wil naar huis, hij voelt zich in het ziekenhuis niet langer veilig. 

Vrijdag negen april komt zijn dochter weer op bezoek. Zij ziet hem nu voor het eerst na de narcose. Ze is erg emotioneel maar blij dat ze Willem al wat beter kan verstaan, hij is minder onsamenhangend.  

De volgende dag gaat Wilma weer op bezoek en ze hoort dat Willem geen zuurstof meer nodig heeft, hij moet het nu op eigen kracht doen. Een goed teken! Willem is heel erg aan de diarree, hij vindt dat erg vervelend, schaamt zich voor het personeel. Maar die wuiven de schaamte weg en vertellen dat hij tijdens de narcose veel middelen heeft gekregen om de ontlasting dun te houden. 

Die zondag wordt zijn laatste IC-dag. Voor de eerste keer hoeft Wilma geen beschermende kleding meer aan. Willem is nog steeds aan de diarree en wordt nu uit bed getakeld met behulp van een papegaai. Dat is een eenvoudige takel die aan het plafond vastzit. Zo wordt hij op een po-stoel gezet waar hij zich kan ontlasten. Als Wilma hem weer verlaat is ze weemoedig, wat een ellende is er op de IC-afdeling maar wat zijn de medewerkers betrokken en liefdevol bezig geweest met hun patiënten en de families daarvan.    

Complicaties 

Maandag twaalf april wordt Willem verplaatst naar de gewone Corona-afdeling. De IC’ers waarschuwen hem dat hij nu meer zelf moet doen. Op de IC-werd hij als een koning behandeld maar nu moet hij zichzelf meer bedruipen. Als Wilma hem bezoekt begint hij weer over de cyberaanvallen, de spookgedachten zijn nog niet uit zijn hoofd. Dinsdags wordt hij weer verplaatst, dit keer naar de longafdeling. Er was kennelijk sprake van een misverstand waardoor hij op de Corona-afdeling terecht kwam. Op de longafdeling is de sfeer veel beter. Hij komt op een kamer te liggen waar een mijnheer ligt die er slecht aan toe is, zo slecht dat hij eigenlijk niet mag praten omdat hij al zijn energie nodig heeft om te ademen. 

Op woensdag krijgt Willem fysiotherapie. Voor het eerst. Dat was zwaar voor hem. Ook komt er een verplaatsingsdeskundige met hem praten over de verplaatsing naar een revalidatiecentrum. Het lijkt erop dat het einde van de tunnel in zicht is. Maar de andere dag appt Willem: ‘Complicaties’. Wilma schrikt zich rot maar hoort pas ’s avonds dat Willem onwel is geworden, er grauw had uitgezien. Zijn zuurstofgehalte was gedaald naar 85% dus moest hij weer aan de zuurstof. Allerlei onderzoeken volgen en er worden longfoto’s met contrastvloeistof gemaakt. Zodoende krijgt hij weer nieuwe infusen. Hij vertelt Wilma dat zijn longen aangetast zijn maar wat er precies aan de hand is weet hij niet. Hij krijgt andere, betere medicijnen. Al bij al een slechte dag. De therapie wordt stilgezet en hij hangt weer aan het zuurstof. 

Op vrijdag zestien april zijn de waardes gelukkig weer goed. Hij krijgt nog zuurstof maar in plaats van een kapje heeft hij nu twee buisjes in zijn neus. Overdag gaat Wilma op zoek naar een revalidatiecentrum en ’s avonds komt zijn vriend Merijn hem weer bezoeken. Op zaterdag kan Wilma tevreden vaststellen dat zijn zuurstofafname is teruggebracht van standje 7, naar 6, naar 5 en nu op 3 staat. Er zit weer vooruitgang in, temeer daar hij ook drie kwartier in een stoel heeft gezeten. Zitten is voor gewone mensen synoniem voor rusten, maar voor Willem is het nu topsport.    

Revalidatie 

Willems herstel verloopt positief. De katheter is verwijderd en via de natuurlijke weg gaat het plassen goed. Een verpleegster komt uitleggen dat Willem nu zo goed herstelt dat hij verplaatst kan worden naar een revalidatie-omgeving. Wilma heeft in overleg met haar, gekozen voor Wissehaege. Hij zal donderdag 22 april per ambulance overgebracht worden. De avond ervoor pakt Wilma zijn spulletjes in en neemt alles wat hij niet meer nodig heeft, mee naar huis.  

Op 22 april, op de  afgesproken tijd, meldt Wilma zich bij de receptie van Wissehaege. Ze ontvangt een appje van Willem dat hij nog niet vanuit het ziekenhuis vertrokken is, de ambulance is vertraagd. Met ruim een uur vertraging komt hij bij Wissehaege aan en Willem wordt naar de vijfde verdieping gereden. Als hij uit het raam kijkt, kijkt hij uit op het Pieter van de Hoogeband-zwembad. Het is rond lunchtijd en Willem krijgt een boterham met rookvlees en een kop koffie. Wilma krijgt niets. Er volgt een intakegesprek met een diëtiste, een verpleegkundige, een fysiotherapeute en een ergo-therapeute. Willem geeft aan dat hij twee weken revalidatie in principe genoeg vindt en dat hij thuis verder wil revalideren. Gedurende die twee weken (veertien dagen) zijn er zes dagen waarin er geen revalidatie plaatsvindt: twee weekenden, Koningsdag en bevrijdingsdag. Toch gaat het met Willems conditie goed.    

Naar huis en terug… 

Precies twee weken later, op donderdag zes mei, rijdt Wilma daarom met haar eigen auto Willem naar huis. Tussen Willems benen staat een, van Wissehaege geleende, zuurstoffles. Willem zit met zijn zuurstofafname nog op standje 2. Thuis aangekomen staat het nood-bed op Willems werkkamer kant en klaar gereed. Via Wissehaege is er zorgondersteuning door TopZorg uit Geldrop geregeld. Willem is de koning te rijk, weer thuis bij zijn lief, weer in zijn eigen vertrouwde omgeving. Weliswaar op een nood-bed, hij kan de trap niet op, met “campingwasjes” aan de keukenkraan, maar hij is weer thuis. De maandag daarna maakt hij kennis met de fysiotherapeute en die maakt een plan om Willem weer – letterlijk – op de been te krijgen. In Wissehaege kon hij al aardig met zijn rollator uit de voeten en tot het bot gemotiveerd gaat hij aan de slag. Maar na een paar weken gaat het mis. En goed ook. Hij krijgt het benauwd, het lijkt alsof het zuurstof niet meer helpt, en hij moet steeds meer en meer hoesten. Dat put hem uit. Er wordt bloed geprikt en na een paar dagen belt de longarts: Willem heeft een infectie op de longen. De arts wil hem weer opnemen en hem een antibioticum toedienen. Willem vraagt of dat ook thuis kan. Na enige aarzeling stemt de arts in op voorwaarde dat Willem zich meldt als de kuur niet aanslaat. Zogezegd, zo gedaan: op 27 mei is Willem zo uitgeput dat hij zich weer op laat nemen. Hij komt op een kamer terecht waar nog drie andere mannen liggen. Hij stelt zich voor en valt kort daarna van uitputting in slaap.    

Willem wordt wakker als hij luide stemmen hoort en hij gaat rechtop zitten. Het blijkt bezoekuur te zijn en de man naast hem is in discussie met een vrouw - die later zijn dochter blijkt te zijn - die tamelijk luid ventileert dat ze zich niet laat vaccineren tegen Corona. De man is daar boos over, zegt dat ze stom is, dat hijzelf nu voor de tweede keer in het ziekenhuis ligt, dat mama, zijn vrouw, ook thuis zit met Corona. Maar de dochter is niet te vermurwen en ventileert diverse complottheoriën. Kort daarop vertrekt ze. Het wordt weekend, vrijdagavond. Wilma komt op bezoek en Willem vertelt al hoestend en proestend hoe hij de dag is doorgekomen. Longfoto’s, bloedonderzoeken, gesprek met verplegend personeel en hij vertelt wat zijn buurman overkwam.  

’s Nachts wordt Willem wakker, er is nogal wat lawaai naast hem. Verplegers zijn druk in de weer met zijn buurman die kennelijk een aanval heeft, hij hangt half met zijn hoofd uit bed en roept om lucht. Het gordijn tussen Willem en hem wordt dichtgeschoven, er komt nog een arts bij en terwijl buurman rustiger wordt valt Willem weer in slaap. Om half zeven ’s ochtends komt er een verpleegster bloed prikken. Willem wordt wakker en ziet dat het gordijn tussen hem en de buurman weer opengeschoven is. Buurman ligt op zijn zij, zo te zien, vredig te slapen. De verpleegster loopt naar hem toe en zegt zijn naam. Buurman reageert niet, ook een tweede en derde keer blijft hij stil. De verpleegster loopt nu naar de man, deinst terug, trekt het gordijn tussen buurman en Willem weer dicht en loopt met vlugge stappen de kamer af. Kort daarop komen twee broeders buurman, compleet met bed, ophalen en rijden hem weg. Als Willem een uur later aan een verpleegster vraagt hoe het met buurman gesteld, is krijgt hij als antwoord dat ze daar vanwege privacyregels geen antwoord op mag geven. Maar Willem weet genoeg: buurman is overleden. Hij vraagt die avond of Wilma de overlijdensadvertenties in de gaten wil houden en, wat hij al dacht, een paar dagen later staat de overlijdensadvertentie van buurman in de krant. Als Willem die avond gaat slapen vraagt hij zich af of hij de andere dag nog wel wakker zal worden.    

Een inslaande bom 

Op maandagochtend komt de zaalarts de resultaten van de longfoto’s en het bloedonderzoek vertellen en zij geeft Willem de diagnose: longfibrose. Het bericht slaat in als een bom. Longfibrose is een ongeneeslijke ziekte, er is geen medicijn voor. De ziekte vernietigt gezonde longblaasjes die niet meer hersteld worden waardoor de patiënt steeds minder zuurstof kan opnemen en hij uiteindelijk stikt. De zaalarts die hem het slechte nieuws vertelt is tamelijk afstandelijk, dit in tegenstelling tot de fysiotherapeute die vol begrip is dat Willems hoofd even niet naar fysiotherapie staat. Vol begrip strijkt ze hem over zijn rug en hij laat zijn tranen de vrije loop. ‘God alle-jezus, ik ga dood’, denkt hij. ‘Hoe lang heb ik nog? Hoe moet dat met Wilma, met mijn lieve schat? En met mijn dochter en kleinzoon Tijmen? God, God nog aan toe!’ 

Zijn kamergenoten, die de diagnose konden volgen, kijken stilzwijgend toe, vervuld van hun eigen gedachten. Na een paar uur komt een van hen naar Willem toe: ‘Gaat het een beetje, man?’, bromt hij. Willem haalt zijn schouders op en kijkt hem met tranen in zijn ogen aan. Hij appt Wilma en ’s avonds tijdens het bezoekuur hangen ze huilend in elkaars armen. Wilma, die zo blij was met haar verjaardagscadeau (Willem weer “beter” thuis na de IC-periode), stort zo goed als in elkaar en ook Willem is er mentaal slecht aan toe. 

De volgende dag worden er weer diverse testen gedaan, er wordt weer bloed afgenomen en de zaalarts, met twee andere in het wit geklede personen, komt naar Willem toe. Het gordijn wordt dichtgetrokken en met zijn vieren is er "werkoverleg". Willem maakt een morbide grap: 'Welkom dames in mijn kleine kantoortje' en vraagt wat de reden van hun bezoek is. Dan wordt iedereen plotseling ernstig. 'Mijnheer van Ravestijn, wilt u meewerken aan een longspoeling (bronscoscopie)? Zij legt uit wat dat inhoudt. Zijn mond en gehemelte worden met een vloeistof verdoofd, een arts gaat met een minicamera, via zijn mond de longen in, bekijkt deze en spuit vervolgens een vloeistof in de longen. Deze vloeistof wordt later in een laboratorium onderzocht zodat men kan vaststellen welke enzymen en bacteriën in de longen aanwezig zijn. Doel van dit alles is te kunnen vaststellen welke medicatie eventueel mogelijk is. Er is weliswaar geen medicijn dat de fibrose kan vernietigen, maar er zijn wel bepaalde ontstekingsremmers die de activiteit van de fibrose kunnen afremmen. Willem ondergaat het onderzoek - dat hem meevalt - en op vrijdagochtend krijgt hij de eerste uitslag en vrijdagmiddag de tweede; beide uitslagen zijn, voor Willem, positief. Hij kan behandeld worden met Prednison, een ontstekingsremmer. Een half uur later slikt hij zijn eerste tabletjes, 40 mg.   

Weer naar huis 

Als hij zaterdagochtend wakker wordt en rechtop in bed gaat zitten, voelt hij zich herboren. Hij heeft  nauwelijks gehoest en hij barst plotseling van de energie. Hij pakt zijn handdoek en washandje en loopt zo goed en kwaad hij kan naar de gemeenschappelijke badkamer. Daar huilt hij zijn angsten en spanningen weg en mompelt tegen zichzelf: ‘Verdomme, ik wil niet dood, ik moet terugvechten.’ 

Dat weekend zet het "herstel" als gevolg van de Prednison-medicatie zich voort, hij knapt zienderogen op en op maandag vertelt een, dit keer, blije zaalarts dat het zo goed met hem gaat, dat hij de volgende dag naar huis mag. Op 8 juni wordt Willem door het personeel van de longafdeling, letterlijk, uitgezwaaid. Iedereen had met hem meegeleefd en gunt hem zijn "beterschap”.   

Stand van zaken 

Willem is thuis, revalideert zo goed hij kan. Hij is inmiddels volledig van het zuurstof, is geestelijk en fysiek in orde met uitzondering van zijn benen die dusdanig verslapt zijn dat lopen nog steeds moeilijk gaat. De foto’s en CT-scans laten zien dat zijn longen, onder invloed van de medicatie, steeds minder ontstoken zijn. Er is sprake van een substantiële verbetering. Hoe lang dit standhoudt is helaas niet bekend. Hoe “longfibrose onder Covid19” zich op langere termijn gedraagt, is ook niet bekend. Voor dit moment gaat het (relatief) goed, maar hoe lang het nog goed kan gaan is een vraagteken. En voor zijn lezers: Willem werkt inmiddels aan zijn zevende boek.   

Waarom deze ontboezeming? 

Er zijn in dit land, onder alle lagen van de bevolking, mensen die Covid19 (Corona) bagatelliseren. Het zou maar een griepje zijn. Mensen die Corona krijgen zouden toch al rot in elkaar zitten. Het dorre hout wordt gekapt. Willem was een gezonde man die nooit wat mankeerde, hij had een goede conditie, zat qua gewicht aan de goede kant, had geen suikerziekte, zat goed in zijn spieren als gevolg van zijn werk in de moestuin en toch liep hij tegen een Coronabesmetting aan. Dat kan iedereen overkomen! In het algemeen wordt aangenomen dat jongere mensen minder kwetsbaar zijn, maar dat betekent niet dat alle jongere mensen onkwetsbaar zijn. Iedereen kan geraakt worden door deze vreselijke ziekte en omdat het virus zich in elk besmet mens anders gedraagt is het erg moeilijk te bestrijden. Bij de ene mens zet het zich vast in de hersenen, bij de ander in de longen, soms in het hart, kortom: onvoorspelbaar. Er is maar één goed advies dat iedereen zich moet aantrekken: zorg dat je het niet krijgt. Niet nu en niet in de toekomst. Laat je vaccineren, luister naar de experts.   

Hulde 

Hulde aan de artsen en het verplegend personeel van het IC-team en de Longafdeling. Geen enkele moeite was te veel, zeven dagen per week, vierentwintig uur per dag. Toiletgang, drinken, tranen, troostende handen, medicijnen, gewoon even praten. Liefdevolle verpleging, aanmoedigingen, je kunt het, houd vol. Willem en Wilma waren en zijn zó dankbaar. Zonder al die lieve medewerkers hadden zij het niet gered. 

Hulde, hulde, hulde.    

Afbeelding: tawatchai07 / Freepik

All Posts
×

Almost done…

We just sent you an email. Please click the link in the email to confirm your subscription!

OK